stop
mannelijk (de)/stɔp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (elektrotechniek) zekering die elektrische stroom begrenst doordat zij smeltDoor de kortsluiting sloegen alle stoppen door.
- halte (korte onderbreking)Bij de volgende stop moet ik echt naar de wc.
- voorwerp dat een opening kan afsluitenDoe de stop in de gootsteen.
- besluit om verdere groei of toename te stoppen
- woord gebruikt als afbreking in een telegramSCHLOSS STOP ERG OPWINDENDE FOTO STOP MOETEN HET IN PARIJS-LONDEN-NYC BRENGEN STOP LIEFS PEG.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afdichting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1368
Uitdrukkingen
- Een stop zetten op — Een maatregel instellen waarmee aan een bepaald proces (m.n. van instroom) een halt toegeroepen wordt
- De [[#Zelfstandig naamwoord — stoppen]] [1] slaan door|Gezegd van iemand die plotseling al zijn/haar zelfbeheersing verliest
- De [[#Zelfstandig naamwoord — stop]] [3] eruit trekken|Een einde aan iets maken (vgl. de stekker eruit trekken)
- post, post-, pots, sopt, spot, tops
Vertalingen
Engelsfuse, stop, patch
Spaansfusible, plomo, parada
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek