storm

mannelijk (de)/ˈstɔrᵊm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) erg harde wind (minstens windkracht 9)
    Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
    Deze storm zou ik moeten overleven boven op Mount Whitney, 4.421 meter hoog.
  2. figuurlijk (figuurlijk) ophef, drukte
    Maar misschien is het zo gek nog niet, ten tonele verschijnen wanneer de storm wat is gaan liggen.

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "storm" van Oudnederlands "stormo" "aanval, oproer", In de betekenis van "hevige wind" aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • De stilte voor(/na) de stormEen stilte die voorafgaat aan of volgt op een storm (ook figuurlijk)
  • Een storm in een glas waterIets wat eerst heel belangrijk lijkt of waar veel drukte over wordt gemaakt, maar wat achteraf slechts een triviale kwestie blijkt te zijn)
  • Het loopt stormHet is ergens erg druk
  • Wie wind zaait, zal storm oogstenWie anderen kwaad berokkent, bnegatioef benadert e.d. zal uiteindelijk zelf ook zo behandeld worden

Vertalingen

Engelsstorm, gale, tempest
Fransorage, tempête
DuitsSturm
Spaanstempestad, tormenta, borrasca
Italiaanstempesta, temporale, burrasca
Portugeestempestade, borrasca, vendaval
Turksfırtına, bora
Poolsburza, sztorm
Zweedsstorm