strekken
/ˈstrɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) het zo ver mogelijk uitrekken in de lengte.Hij strekte zijn been om de bal tegen te houden.
- (absol) ~ tot fungeren, dienenBloedige striemen en andere wonden strekten tot getuigenis dat Romeinse slaven enkel onder foltering getuigenis konden afleggen.
Etymologie
*(erfwoord) Ontwikkeld uit Middelnederlands "strecken" “zich uitstrekken”, uit Germaans *strakijan, verwant aan Duits "strecken" ( "strecken"), Engels "stretch" (Oudengels "streccan"). In de betekenis van ‘strak maken of worden’ voor het eerst aangetroffen in 1266.
Vertalingen
Engelsextend, stretch, stretch out
Fransétirer, s’étirer
Duitsstrecken, ausstrecken
Spaansestirar, extender, tender
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek