streng

mannelijk/vrouwelijk (de)/strɛŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een van de dunne touwen waaruit een koord bestaat
  2. bundel van gedraaide of gewonden draden
  3. draad met geregen steentjes, kralen e.d.
  4. stevige (dubbel genaaide) leren riem waarmee een trekdier aan het gareelblok van een wagen is verbonden om deze te kunnen voortbewegen
  5. medisch (medisch) orgaan of deel van een orgaan dat op een bundel draden lijkt

Etymologie

#zonder ruimte voor tegenspraak

Vertalingen

Engelstrace
Franstrait
DuitsStrang
Spaanstirante, adusto, austero
Italiaanstirella