strijken
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- over een oppervlak laten glijdenHij streek zijn huilende zoontje over zijn bolletje.
- wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzerIk heb dat overhemd nog niet gestreken.
- iets laten zakkenDe zeilen strijken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘met de hand gaan langs, glad maken’ voor het eerst aangetroffen in 1250
Uitdrukkingen
- Strijk en zet gebeuren — erg vaak gebeuren
- De ( of zijn) hand over 't hart strijken
- De vlag strijken — het opgeven, capituleren, zich overgeven
- Een vaantje strijken — bewusteloos raken, flauw vallen ofwel: sterven ofwel: het opgeven
- Er is geen zalf aan te strijken — ergens niets aan kunnen doen of geen enke zinvol advies mogelijk voor iemand
- Het zeil strijken voor iemand — van iemand verliezen
- Iemand onder de kin strijken — vriendelijke of vleiende dingen tegen iemand zeggen
- Vonnis vellen ( of strijken)
Vertalingen
Engelsstroke, iron, lower
Fransrepasser, abaisser
Duitsbügeln, niederholen, einholen
Spaansrozar, planchar, arriar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek