strik
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een knoop met twee lussenHet meisje had twee strikken in het haar.
- lint of koord in een knoop met twee lussen dat men als versiering om de hals draagt
- (jachttaal) val voor dierenDe stroper had een strik gezet om konijnen te vangen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘lus’ voor het eerst aangetroffen in 901
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek