strikken
/ˈstrɪkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (kleding) (van een stropdas, schoenveters of een lint) met een sierlijke knoop vastmakenDe grootste conducteur stond opeens naast me en vroeg om mijn kaart. Terwijl hij scande, knikte hij naar mijn gymschoenen. „En je moet je veter strikken.” Ik strikte mijn veter.
- (ov) (jachttaal) vangen van een dier in met een lus die het dier door zijn bewegingen strak aantrektAanvankelijk weet hij zijn gezin nog te onderhouden door het strikken van konijnen, maar als hij verschillende tegenslagen te verduren krijgt, vlucht hij in de drank en raakt totaal verbitterd.
- (ov) (figuurlijk) iemand bereid vinden om iets te doenZij strikken de straatveegster voor een list: als ze doet alsof ze de kleindochter van de keizerin (…) is, kunnen zij een royale beloning opstrijken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek