stroom
mannelijk (de)/stroːm/
Wat is de betekenis van stroom?
stroom betekent: (aardrijkskunde) rivier, beek
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) rivier, beek
- (elektrotechniek) elektrische stroom, het transport van elektrische lading door de beweging van elektronen door geleiders en halfgeleiders onder invloed van een potentiaalverschil
- in bepaalde richting bewegende massa, zoals een groep mensen, dieren, andere objecten
- (figuurlijk)in bepaalde richting bewegende massa niet materiële zaken
Voorbeelden van "stroom" in een zin
- Bij donker woud en brede stromen.
- We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag.
- Er hingen nog lampen met gaskousjes en om ons van stroom te voorzien werd er via een elektriciteitskabel vanaf de straat een voorlopige voorziening getroffen.
- Dat moet de elektriciteitsdraad zijn geweest die ons van stroom voorzag.
- Tegen de stroom in lopen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bewegende massa vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Tegen de stroom oproeien — tegen de meerderheid ingaan
Vertalingen
Engelsriver, stream, current
Franstorrent, rivière, courant
DuitsStrom
Spaansrío, corriente
Japans電流, でんりゅう, denryuu
Poolsprąd
Zweedsström
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek