struma

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) ziekelijke opzwelling van de schildklier. krop

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kropgezwel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1661

Vertalingen

Engelsstruma
Fransgoître, goitre
DuitsStruma
Spaansbocio