student

mannelijk (de)/styˈdɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, onderwijs (persoon) (onderwijs) iemand die hoger onderwijs volgt
    De universiteit met al haar medewerkers, studenten en onderzoekers vormt een academische gemeenschap.
    Aan de geslaagde student wordt een getuigschrift uitgereikt en een lijst met de door hem behaalde resultaten uit het tweede, derde en vierde jaar.
    Genie, de student uit Australië, Jetfighter, de vagebond uit Amerika, en Van Go, de burgerman uit Nederland.

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn "studens" tegenwoordig deelwoord van '"studere", in de betekenis van ‘iemand die studeert’ aangetroffen vanaf 1350

Vertalingen

Engelsstudent, scholar
Fransétudiant
DuitsStudent
Spaansestudiante
Italiaansstudente
Poolsstudent, studentka
Zweedsstudent