substituut

/ˌsʏpstiˈtyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) plaatsvervanger
  2. (n) vervangingsmiddel
    Ik rol een afgebrande lucifer tussen duim en wijsvinger en prik bijwijlen met de geblakerde spits in mijn vlees, een schraal substituut voor het roken. Alles voelt trouwens schraal. {{Aut| Valens, Anton

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse 'statuere' (plaatsen)