suf

sʏf

Wat is de betekenis van suf?

suf betekent: moeite ervarend om oplettend te zijn

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. moeite ervarend om oplettend te zijn
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
  2. gebiedende wijs van suffen
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen

Voorbeelden van "suf" in een zin

  • Na de lange reis was hij blij zijn suffe hersenen wat rust te kunnen gunnen.
  • Ik suf.
  • Suf!
  • Suf je?

Betekenis en uitleg van suf

Het woord 'suf' beschrijft een toestand van vermoeidheid of onoplettendheid, vaak veroorzaakt door slaapgebrek of een gebrek aan stimulatie. Iemand die suf is, lijkt traag in zijn reacties en heeft moeite om scherp te blijven.

Je gebruikt 'suf' vaak om te verwijzen naar een gevoel van lethargie of dufheid, bijvoorbeeld na een lange dag werken of een nacht slecht slapen. Het kan ook in een informele context gebruikt worden om iemand te beschrijven die niet erg levendig of enthousiast is. De nuance kan variëren van mild tot negatief, afhankelijk van de situatie.

Voorbeelden

  • Na het zware diner voelde ik me behoorlijk suf en kon ik me niet meer concentreren op de film.
  • Tijdens de saaie les zaten de leerlingen suf op hun stoelen, met hun ogen half dicht.
  • Hij was zo suf van de hitte dat hij zelfs vergat te reageren op zijn vrienden.

Woordoorsprong

De herkomst van 'suf' is waarschijnlijk gerelateerd aan het Oudnederlands, waar het woord 'suf' ook al een vergelijkbare betekenis had, en kan verwant zijn aan woorden die traagheid of lethargie beschrijven.

Veelgestelde vragen over suf

Wat is de betekenis van suf?

suf betekent: moeite ervarend om oplettend te zijn

Hoeveel betekenissen heeft suf?

suf heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je suf in een zin?

Voorbeeld: “Na de lange reis was hij blij zijn suffe hersenen wat rust te kunnen gunnen.

Etymologie

erfwoord: Oergermaans *sufjaz ‘slaperig’, afleiding uit het sterke ww. *sufan- ‘slapen’ (waaruit Oudnoords sofa), bij Indo-Europees *sup-e-, presensstam met nultrap van *su̯ep-, waartoe ook Hittitisch šupp(t)ari ‘slapen’ en Sanskriet svápiti ‘hij slaapt’ behoren.