suf

sʏf

Wat is de betekenis van suf?

suf betekent: moeite ervarend om oplettend te zijn

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. moeite ervarend om oplettend te zijn
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
  2. gebiedende wijs van suffen
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen

Voorbeelden van "suf" in een zin

  • Na de lange reis was hij blij zijn suffe hersenen wat rust te kunnen gunnen.
  • Ik suf.
  • Suf!
  • Suf je?

Etymologie

erfwoord: Oergermaans *sufjaz ‘slaperig’, afleiding uit het sterke ww. *sufan- ‘slapen’ (waaruit Oudnoords sofa), bij Indo-Europees *sup-e-, presensstam met nultrap van *su̯ep-, waartoe ook Hittitisch šupp(t)ari ‘slapen’ en Sanskriet svápiti ‘hij slaapt’ behoren.