suf
sʏf
Wat is de betekenis van suf?
suf betekent: moeite ervarend om oplettend te zijn
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- moeite ervarend om oplettend te zijn
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
- gebiedende wijs van suffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suffen
Voorbeelden van "suf" in een zin
- Na de lange reis was hij blij zijn suffe hersenen wat rust te kunnen gunnen.
- Ik suf.
- Suf!
- Suf je?
Etymologie
erfwoord: Oergermaans *sufjaz ‘slaperig’, afleiding uit het sterke ww. *sufan- ‘slapen’ (waaruit Oudnoords sofa), bij Indo-Europees *sup-e-, presensstam met nultrap van *su̯ep-, waartoe ook Hittitisch šupp(t)ari ‘slapen’ en Sanskriet svápiti ‘hij slaapt’ behoren.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek