sufheid
vrouwelijk (de)/ˈsʏfhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- door uitputting of aandoening minder alert zijn, slaperigheid
- sloomheid, traagheid van begrip en handelen
- eentonigheid, saaiheid
Etymologie
*afgeleid van suf
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek