suikerbiet
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsœykərˌbit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) (voeding) bepaalde ondersoort van de biet (subsp. vulgaris var. altissima) waaruit bietsuiker gewonnen wordtVroeger werd er met St. Maarten wel met lampionnen van suikerbiet gelopen.
Vertalingen
Engelssugar beet
Fransbetterave sucrière
DuitsZuckerrübe
Spaansremolacha azucarera
Italiaansbarbabietola
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek