survivallen
/sʏrˈvɑjvələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) meedoen aan tochten waarbij je je in een onherbergzame omgeving met een minimum aan hulpmiddelen moet zien te reddenSurvivallen is terug: je hoeft de tv maar aan te zetten of er is wel een programma bezig waarin bekende of minder bekende Nederlanders zichzelf moeten redden in een eenzaam bos.‘Ga jij maar lekker stoer doen”, zegt de dokter. Ik hoest, het sneeuwt een beetje en ik heb de krant beloofd te ‘survivallen’.
Etymologie
*afgeleid van "survival"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek