sushi

mannelijk (de)/ˈsuʃi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) gerecht uit Japan bestaande uit rijst met vaak rauwe vis, zeevruchten, ei, etc.
    Er kwam geen einde aan: zalmsalade, pasta, groente, sushi, biefstuk, soep, chocoladetaart, witte chocoladetaart, crème brûlee, vers fruit met room, bier, koffie en whisky.

Etymologie

*van "寿司" (sushi) "zuur", in de betekenis van ‘rijstballetje met rauwevisreepjes in zeewier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1989