taalbeheersing

vrouwelijk (de)/ˈtalbəˌhersɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
    Een goede taalbeheersing bezitten.
    De dichter zat bepaald niet in een ivoren toren; hij beoefende een kunst die iedereen verstond, alleen was hij de uitblinker. Hij kon met zijn toehoorders spelen, appelleren aan hun kennis en interesses; de keus van zijn onderwerpen hoefde bepaald niet origineel, niet nieuw te zijn en de vorm waarin hij ze goot lag zelfs traditioneel vast; nee, hij moest voornamelijk opvallen door een persoonlijke behandeling van bekende stof en knappe taalbeheersing. {{Aut |Ovidius
  2. taalkunde, onderwijs (taalkunde), (onderwijs) studie van de juiste aanwending van taal (als vak)
    Taalbeheersing als vak.

Vertalingen

Engelsmastery of language, language proficiency, language skill
Fransconnaissance de la langue, langue
DuitsSprachbeherrschung
Spaansdominio del idioma