taboe

onzijdig (het)/taˈbu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een binnen de heersende cultuur algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
    Daar rust een zwaar taboe op.
    Onderzoek doen naar individuele, aangeboren ‘afwijkingen’ was eind jaren zeventig van de twintigste eeuw zo goed als taboe [https://nl.wikipedia.org/wiki/Wouter_Buikhuisen wikipedia]

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verboden, verbod’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelstaboo
Franstabou
DuitsTabu
Spaanstabú