talon

mannelijk (de)/ta­ˈlɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) rand als versiering met een doorsnee die boven half bol en van onder half hol is
  2. muziek (muziek) uitstekende deel onderaan een strijkstok
  3. economie (economie) bewijs dat recht geeft op een nieuw couponblad wanneer alle coupons die bij een aandeel of obligatie horen zijn gebruikt
  4. kaartspel (kaartspel) de verzameling kaarten die na het delen over zijn

Etymologie

*van "talon" "hiel" met de afgeleide betekenis "onderste of laatste deel"