tamtam

mannelijk (de)/tɑmˈtɑm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met de handen bespeelde trommel
  2. bronzen gong
  3. met een hoop ophef, lawaai en gedoe
    In april 1991 lanceerde de Postcode Loterij met veel tamtam een hoofdprijs van een miljoen gulden. Win één miljoen met uw postcode' stond er op de envelop die op meer dan drie miljoen deurmatten viel. Door toedoen van de overweldigende groei die De 64.000 Gulden Vraag had bewerkstelligd, kon de loterij omvangrijke mailings nu makkelijk bekostigen. {{Aut|Holtwijk, Ineke
    Niet alle smartphones worden met zoveel tamtam aangekondigd als de Sony Xperia XZ Premium. Eerst op het Mobile World Congress in Barcelona, en twee maanden later nog eens in Lissabon, waar alles nagenoeg volledig in het teken stond van d blikvanger van het toestel: de Super slow-motion videofunctie. De voorbije week konden we Sony’s nieuwe vlaggenschip grondig testen.de Standaard 02/JUNI/2017 om 16:41 door Michel van der Ven
  4. informele communicatie binnen een groep
    Als er ergens de tamtam snel gaat dan is het wel over de bakken van de chauffeurs. Als er iets aan de andere kant van Nederland gebeurt, weet iedereen het binnen vijf minuten. Het is onderling ook echt ons kent ons. Er wordt geroddeld, niet normaal. Chauffeurs zijn net wijven.' {{Aut|Hendrix, Hanneke
    Ik had mijn vriend Pogue al een aantal weken niet gezien en schrok toen ik via de tamtam hoorde dat ook hij was gestopt.

Etymologie

* via "tam-tam" van ṭamṭam, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1867

Vertalingen

Engelsuproar