tandartsboor
mannelijk (de)/'tɑndɑrtzbor/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) (gereedschap) een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboortHet geluid van een tandartsboor.
Vertalingen
Engelsdrill
Fransforet, fraise, roulette
DuitsZahnbohrer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek