tandartsboor

mannelijk (de)/'tɑndɑrtzbor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, gereedschap (medisch) (gereedschap) een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
    Het geluid van een tandartsboor.

Vertalingen

Engelsdrill
Fransforet, fraise, roulette
DuitsZahnbohrer