tanen

/ˈtanə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) verzwakken, afnemen, slinken, verflauwen, verminderen, aflopen
    De roem taant.
  2. ov, materiaalkunde (ov), (materiaalkunde) in taan koken om het duurzamer te maken, leerlooien, looien
  3. ov (ov) vaalgeel/bruin kleuren

Etymologie

* In de betekenis van ‘bruinen’ voor het eerst aangetroffen in 1446

Vertalingen

Engelsabate, decrease, diminish
Spaansamainar, decrecer, disminuir