tank

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɛnk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen
    Er zat geen benzine meer in de tank.
  2. militair, transport (militair), (transport) een gepantserd en zwaar bewapend oorlogsvoertuig op rupsbanden
    De invoering van de tank doorbrak de stagnatie van de loopgravenoorlog.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vloeistofreservoir’ voor het eerst aangetroffen in 1889

Vertalingen

Engelscistern, tank, tank
Fransréservoir, citerne, tank
DuitsTank, Kampfpanzer
Spaanscisterna, depósito, tanque
Poolscysterna, tank, zbiornik