tante
vrouwelijk (de)/ˈtɑntə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) zus of schoonzus van iemands vader of moederMijn tante woont in New York.Ik heb Lawrie nooit verteld dat Quick mogelijkerwijs zijn tante was, een tante die hij meermalen had ontmoet zonder weet te hebben van hun ware band.Nikki volgt haar tante nieuwsgierig en ook Gijs, die zijn waterfles leeg heeft, besluit een kijkje te gaan nemen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(schoon)zuster van vader of moeder’ voor het eerst aangetroffen in 1782
Vertalingen
Engelsaunt
Franstante, tatie
DuitsTante
Spaanstía
Italiaanszia
Portugeestia
Turkshala, teyze, yenge
Poolsciotka, ciocia
Zweedstant
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek