tarboesj

mannelijk (de)/ˈtɑrbuʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) stijve vilten hoed zonder rand, in de vorm van een rode cilinder van boven iets smaller dan van onder en met een vlakke bovenkant die vaak is versierd met een kwastje
    Niet alleen de hoogste burger droeg de tarboesj, zoals de fez in Egypte wordt genoemd, ook ambtenaren en iedereen die wilde meetellen, tooiden zich met het hoofddeksel.
    Daarna nam hij eene grootere doos, bedekte het met het mutsje (tarboesj) van een der jongens en deed daaruit achtereenvolgens te voorschijn komen: een konijn, twee kippen, pannekoeken, en eene soort van vermicellie (koenafieh).

Etymologie

*van طَرْبُوش (ṭarbūsh), samengesteld uit "ter" "transpiratie" en پوشیدن (pūshidān) "bedekken, dragen", in het Nederlands aangetroffen vanaf 1858, zie vindplaats hieronder