Tarwe
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtɑrʋə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht - een van de belangrijkste graansoorten waarmee de mensheid zich voedt
- (landbouw) meest verbouwde tarwesoort (gewone tarwe of )
- (graan) (voeding) zaad van tarwe, onder andere gebruikt voor het maken van brood en pasta
Etymologie
: Wels: drewg ‘dolik, raaigras’, Litouws: dirvà ‘zaadveld’, : dáratos (δάρατος) ‘brood’, Sanskrit: dū́rvā (दूर्वा) ‘handjesgras’
Vertalingen
Engelswheat, wheat
Fransblé, froment, blé
DuitsWeizen, Weizen
Spaanstrigo, trigo
Italiaansfrumento, frumento
Portugeestrigo, trigo
Russischпшеница
Chinees小麦, 小麦
Japansコムギ, コムギ
Koreaans밀
Arabischقمح
Turksbuğday, buğday
Poolspszenica, pszenica
Zweedsvete, vete
Deenshvede, hvede
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek