taxus
mannelijk (de)/'tɑksʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (coniferen) benaming voor planten uit de taxusfamilie , die het giftige taxine bevattenHet echtpaar van tuin 22 manifesteerde zich naast een taxus aan de grens, ijverig glimlachend, jaknikkend en aarzelend met de armen zwaaiend. Het waren Betsy & Anko van der Nederpelt, maar ik kende hun namen toen nog niet. Dit was nou net het type contacten dat ik zo vreesde. Hoe aardig te blijven. {{Aut| Valens, AntonZe lieten Incitatus de steen naar een werkplaats slepen en bleven in de stad tot de zerk met de drie namen onder de taxus op het kerkhof stond. {{Aut|Gordon,NoahAl zijn planten zijn aangetast door de buxusmot. Het enige groen dat de tuin nog rest, is een verdwaalde taxus en wat bloemen. ‘Ik snoeide alles met de hand. Ik heb een buxus in de vorm van een eekhoorn. Daar was ik wel drie uur mee bezig’, zegt Simonne. Nu laat ze alles weghalen. ‘Ik zag de eerste tekenen van de larven in maart. En toen is het snel gegaan. In n maand tijd was alles kapot.’de Standaard 23 MEI 2017
Etymologie
*van Latijn """, in de betekenis van ‘heester’ voor het eerst aangetroffen in 1663
Vertalingen
Engelsyew-tree, European yew
Spaanstejo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek