teak
mannelijk (de)/tik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaalde tropische boomsoort,
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde) kostbaar tropisch hardhout gemaakt van dat ook zonder onderhoud goed bestand is tegen weer en windLoop vanuit de zonnige, hete straat de koele lobby van marmer en teak van het Santa Clara Hotel binnen. Ga langs de twee portiers die, naar je vermoedt, getrainde killers zijn. Zij nemen schattend kledij, gringogehalte en kredietwaardigheid op. {{Aut|Mitchell, DavidDe seventies-luxevibe is nog het best voelbaar in de opvallende bar in donkerbruine glanzende teak, compleet met dansvloer, discobol en flipperkast. ‘Er moeten hier wilde feestjes zijn gehouden, voor ik hier woonde. Nog altijd kom ik mensen tegen die ik niet ken maar die wel heel enthousiast herinneringen ophalen aan “dat speciale ronde huis”,’ lacht Manuella.de Standaard 10 JUNI 2017Ergens'in de pittoreske Engelse countryside - 'Hou het adres geheim want ik heb geen trek in pottekijkers'- staat Robin van Persie voor een omvangrijke boekenkast. Goedkeurend klopt hij op het donkere hout: Echt teak. En handgemaakt hè.'Volkskrant 14 september 2013
Etymologie
* van """, in de betekenis van ‘boom, hout daarvan’ voor het eerst aangetroffen in 1854
Vertalingen
Engelsteak, teak-wood
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek