teen

mannelijk (de)/ten/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) vingers van de voet
    Typisch iets voor hem om er een leeuw van te maken die haar teen kust.
    Ik smeer mijn benen van top tot teen in, inclusief mijn voeten en mijn voetzolen.
    Zit je opeens met de grote teen van buurman Frans in je mond.
  2. iets wat op een teen lijkt
  3. twijg, dunne en taaie loot (van een wilg etc. -> wilgentakje)

Etymologie

* In de betekenis van ‘vinger van de voet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Uitdrukkingen

  • Een teentje knoflook
  • van top tot teenhelemaal, in zijn geheel

Vertalingen

Engelstoe
Fransorteil
DuitsZeh
Spaansdedo, dedo del pie, ortejo
Turksayak parmağı
Poolspalec u nogi
Zweeds
Deens