tegel

mannelijk (de)/ˈteɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
    Hebben ze de tegels voor de badkamer al afgeleverd?

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vloersteen’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Engelstile
Franscarreau
DuitsFliese, Kachel
Spaansbaldosa, losa, azulejo