tegenstander

mannelijk (de)/ˈteɣə(n)ˌstɑndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vijand, rivaal
    Prominente islamitische geleerden hebben uitgesproken dat een beroemde middeleeuwse fatwa waarin de heilige oorlog wordt gepropageerd, in de moderne wereld niet meer kan worden gebruikt om het doden van tegenstanders te rechtvaardigen [http://www.volkskrant.nl/buitenland/prominente-moslim-geleerden-nemen-afstand-van-fatwa~a986887 www.volkskrant.nl]
    Het gaat in deze zaak om een vestiging van het bedrijf Zapp, waarvan er meerdere in de stad zitten. Darkstores zijn omstreden omdat ze vaak overlast veroorzaken en met hun afgeplakte ramen volgens tegenstanders ook esthetisch geen vooruitgang betekenen.
    Want de arbeidersmeerderheid had het probleem dat ze geen opgeleide mensen hadden voor alle bureaucratische en politieke posten. Dus moesten ze hun tegenstander om hulp vragen. En sindsdien werken ze in alle rust samen.
  2. bestrijder
    Nou, en dan zou Libo in Borâs failliet gaan en dat zou tot werkloosheid leiden en de sossen waren rabiate tegenstanders van werkloosheid.

Etymologie

*Afgeleid van tegenstand

Vertalingen

Engelsopponent
Fransadversaire
DuitsGegner, Widersacher
Spaansadversario
Portugeesadversário