tekort

onzijdig (het)/təˈkɔrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een ontbrekende hoeveelheid
    Er heerste een groot tekort aan graan.

Vertalingen

Engelsdeficit, lack, shortage
Fransdéficit, manque, pénurie
DuitsMangel
Spaansfalta, déficit, escasez