televisieploeg

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌteləˈviziˌplux/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. team dat samen een opname maakt voor de televisie
    Hij werd, zwaargewond, geïnterviewd door een Nederlandse televisieploeg, waarvan later de geluidstechnicus en de cameraman zouden sneuvelen.
    Op en langs verschillende autowegen in Wallonië zijn afgelopen nacht opstootjes geweest met 'gele hesjes', die in België en Frankrijk actievoeren tegen onder meer de hoge brandstofprijzen. Zij blokkeerden wegen en belaagden een Waalse televisieploeg, schrijven Belgische media.