tempel

mannelijk (de)/ˈtɛmpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een gebouw voor godsverering
    Heb je de tempel al gezien die ze hier in de buurt aan het bouwen zijn?
    De Japanse bergen, tempels en gastvrijheid waren indrukwekkend.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 1271

Vertalingen

Engelstemple
Franstemple
DuitsTempel
Spaanstemplo
Italiaanstempio
Portugeestemplo
Russischхрам
Japans堂塔, 寺, てら
Arabischمَعْبَد
Poolsświątynia