tent

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
    Als je zelf een tent of caravan meeneemt, blijft het tarief gelijk.
    Ik was blij dat we aan het afdalen waren en dat ik snel weer veilig in mijn tent in het dal kon kruipen.
  2. informeel (informeel) openbare plek (bijv. een café of restaurant) of andere openbare gelegenheid; bij uitbreiding ook een bepaalde leefruimte in het algemeen
    Te druk? De waarheid is dat ik gewoon geen geld heb om in zo'n chique tent te gaan dineren.
    Die dronken gasten kwamen hier binnen en hebben de hele tent afgebroken.
zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) voorwerp om een wond nader mee te onderzoeken, zoals een stift
  2. peilstang

Etymologie

*[B] Via Middelnederlands tente / tinte van "tente" (doublet met tent [A])

Uitdrukkingen

  • De tent afbrekenErgens alles kort en klein slaan
  • De tent sluitenEen café, restaurant enz. sluitenophouden met werken
  • Ergens zijn tenten opslaanErgens gaan wonen
  • Iemand uit zijn tent lokkenIemand bewust tot (nadelig) handelen verlokken, iemand provoceren

Vertalingen

Engelstent
Franstente
DuitsZelt, Lokal
Spaanstienda campaña
Italiaanstenda
Portugeesbarraca
Russischпалатка
Arabischخيمة صغيرة
Turksçadır
Poolstelt, namiot
Zweedstält
Deenstelt