tentdoek
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- weefsel waarvan een tent is gemaaktWelk kind droomt er nou niet van kamperen in de tuin? Met papa of mama in een tentje, terwijl de regendruppels op het tentdoek vallen of in de nacht met een zaklamp schijnen, dat is voor elk kind een bijzondere ervaring.Hier ging ik vanavond slapen, helemaal in mijn eentje. Snel maakte ik wat eten klaar en ging daarna mijn tent in. Het voelde daar een stuk veiliger, ook al was het tentdoek nog geen millimeter dik.
Vertalingen
Engelscanvas, tent-cloth
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek