teugel
mannelijk (de)/ˈtøɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (paardrijden) riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurtMet een krachtige ruk aan de teugels kwam het paard tot stiltand.Na dagenlang rijden kwamen zij op een hoge bergwei en het 'pad werd nu zo steil, dat Pietje en Sint de paarden bij de teugel namen en te voet naar boven klommen.
- de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavelBij het roodborstje is ook de teugel rood.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands tōghel, tuegel, ontwikkeld uit Oergermaans *tugila-, afleiding bij het werkwoord *teuhan- ‘trekken’, waaruit tijgen, met grammatische wisseling en het achtervoegsel *-ila voor gereedschappen. Eveneens Nederduits Tögel, Duits Zügel en Zweeds tygel.
Uitdrukkingen
- de teugels afwerpen
- zich aan het gezag onttrekken
- de teugels vieren
- de druk verminderen
- iemand de vrije teugel laten
- iemand z'n gang laten gaan
Vertalingen
Engelsrein
Fransrêne
DuitsZügel
Spaansrienda
Italiaansredine
Russischузда, уздечка, уздечка
Poolswodza, lejc, cugiel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek