thuisfront
onzijdig (het)/ˈtœysfrɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levertBij een ‘gewone’ griepepidemie sterven meestal kinderen en ouderen, maar dat was in 1918 niet het geval, zegt Spinney. „De groep tussen twintig en veertig jaar oud werd bijzonder hard geraakt. Hier zaten natuurlijk de soldaten bij, die dicht op elkaar gepakt zaten. Maar ook aan het thuisfront was deze groep kwetsbaar, omdat ze kostwinner waren in een tijd met weinig sociaal vangnet.De 'Times’ merkt op: De werkelijke bedoeling van Czernin’s antwoord is klaarblijkelijk de hoop van Duitschland en zijn satellieten, dat de volkscommissarissen de actie der gedelegeerden zulten goedkeuren. De Centralen willen van dit besluit van het revolutionnaire Rusland gebruik maken om de defaitisten in de geallieerde landen te versterken en „het thuisfront van Duitschland’s vijanden te doorbreken.”
- gezin en andere nauw betrokkenen die achterblijven wanneer iemand wordt uitgezonden naar een oorlogsgebiedOnjuiste berichtgeving en het niet weerspreken daarvan door Defensie kan leiden „tot (additionele) schade bij de betrokken militairen en hun thuisfront”; vier op de tien veteranen hebben last van de berichtgeving.Zwijgzaamheid tegenover het thuisfront blijkt een tweede natuur. „Je gaat niet je kwetsbaarheden thuis neerleggen”, vertelt Rob. Hij verzweeg na thuiskomst jarenlang voor zijn vrouw dat hij onderscheiden was voor de heldhaftige redding van een collega – ze moest er uiteindelijk over lezen in de krant.
- (figuurlijk) mensen uit het huishouden van iemand die een druk bestaan heeft of een verre reis maaktToen Koert Huisman vorig jaar na twee decennia Nepal weer bezocht, viel hem vooral de vooruitgang op. „Houten huizen hadden plaatsgemaakt voor cementen huizen. En ik heb op een verlaten berg zitten facetimen met het thuisfront. De verbinding was er uitstekend!”Kees van der Staaij, partijleider sinds 2010, werd op de partijdag voor de vierde keer gekozen tot lijsttrekker. Van der Staaij heeft daarbij nog volop steun van het thuisfront, vertelde hij. „Als ik al die tijd in een koekjesfabriek zou werken zou m’n vrouw misschien zeggen: ga eens wat anders doen.”Tieners hadden niet alleen weinig toekomst, ze moesten vaak ook een stabiel thuisfront ontberen. Het aantal echtscheidingen nam in de jaren tachtig flink toe, met eenoudergezinnen en stiefvaders en/of -moeders als gevolg.
- (figuurlijk) interne betrokkenen bij iemand die juist extern actief isHet tumult op de lijn Brussel-Londen is een klassieke openingszet in een onderhandelingsproces. De tegenpartij wordt geïntimideerd en te kijk gezet voor eigen publiek. Het thuisfront leert dat de eigen onderhandelaar bereid is de mouwen op te stropen en dat, wat het resultaat ook mag zijn, er in elk geval voor gestreden is.
Etymologie
*leenvertaling van "home front", , in de betekenis "inspanning van de burgerbevolking als bijdrage aan de oorlog" aangetroffen vanaf 1917 (zie citaat hieronder)
Vertalingen
Engelshome front
Fransfront domestique
Spaansfrente doméstico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek