thuiskomen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (erga) terugkeren in de eigen woningHij was nog maar net thuisgekomen toen hij het nieuws hoorde.‘Denk erom hè… Geen haast,’ riep hij me na terwijl ik naar de grensmuur liep om mijn hand op het koude ijzer te leggen en mezelf moed in te praten: ‘veilig thuiskomen’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek