thuja

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor groenblijvende boompjes uit het geslacht
    Die ligusterhaag werd altijd geassocieerd met arbeiderstuintjes en is, net als het begrip ‘arbeider’, wat in onbruik geraakt. De ‘middenklasse’ plant trouwens thuja of buxus en de tuinierende upper class gaat voor taxus. Wij mogen dan wel grapjes maken over de Engelse standenmaatschappij, maar wij kunnen er ook wat van.
    Berberis stenophylla en Cotoneaster simonsii zijn ook geschikt voor een niet al te hoge heg. Deze moeten in de zomer worden teruggeknipt. Heggen van Chamaecyparis, Thuja en Cupressocyparis moet je in het late voorjaar of begin van de zomer knippen.

Etymologie

* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘geslacht van coniferen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886

Vertalingen

Engelsthuya, arborvitae
Spaansárbol de la vida, thuja, tuya