tig
/tɪx/
Betekenis
telwoord
- (informeel) groot aantal, in de ogen van de spreker meer dan toereikendOver biologie deed Manouk langer dan ze tijdens de oefenexamens nodig had. "Omdat ik elk antwoord tig keer controleerde voordat ik er zeker van was."Zou het mogelijk zijn om deze trails een structureel onderdeel van mijn leven te maken in plaats van een sabbatical om de tig jaar? Het idee alleen al om mijn werk wat regelmatiger te kunnen afwisselen met een wandeling in de natuur gaf me rust.
Etymologie
* van "zig"; op te vatten als verzelfstandiging van -tig, als onbepaald telwoord aangetroffen vanaf 1984 [https://dbnl.org/tekst/_taa014198201_01/_taa014198201_01_0145.php?q=tighl1 "Mededeling" in: Onze Taal. jrg. 51 nr. 10 (oktober 1982) Genootschap Onze Taal, Den Haag]; p. 120; geraadpleegd 2019-06-04[https://web.archive.org/web/20190604214345/https://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1447/tig_gevallen/ Tig (gevallen) op website Nederlandse Taalunie: taaladvies.net]; geraadpleegd 2019-06-04
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek