tijgeroog

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de oog van een tijger; oog dat lijkt op een oog van een tijger
    In de gang en op de wc hangen haar collages, de illustraties uit haar boeken. Poezen- en tijgerogen kijken je aan, bolletjes springen in het rond tegen gevels van flatgebouwen. NRC Judith Eiselin 31 december 1999 [https://www.nrc.nl/nieuws/1999/12/31/op-weg-naar-een-plaats-zonder-tijd-7476596-a991111 Op weg naar een plaats zonder tijd]
  2. de blik van iemand die fel of boos is
    Hij ontmoet er Jan-Willem, ontdekkingsreiziger in ruste, een kleine kale man met een witte baard en gele tijgerogen. Samen voeren zij absurde gesprekken: 'Zo, ben jij het?', 'Ja', 'Weet je het zeker?', 'Ja, omdat u mij herkende', 'Dan moet je het wel zijn.' NRC Judith Eiselin 11 juli 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/07/11/er-is-er-een-dood-hoera-hoera-7360424-a1378241 Er is er één dood, hoera, hoera]
    Wanneer hij evenwel dankzij de drug met `tijgerogen gaat zien, wordt het taalgebruik soms ronduit pompeus of zelfs kitscherig. NRC Peter Drehmanns 22 juli 2005 [https://www.nrc.nl/nieuws/2005/07/22/de-waarheid-is-best-lekker-10580880-a1101570 De waarheid is best lekker]
  3. soort mineraal; kwarts-variëteit

Vertalingen

Engelstiger`s-eye