titulatuur

vrouwelijk (de)/tityla'tyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de titels van een persoon
    De militaire junta greep de macht, waarna de jonge officieren van Mengistu hun rivalen binnen de legertop uit de weg ruimden en, onder wisselende titulatuur, zouden regeren tot 1991.Volkskrant Jeroen van Raalte 30 oktober 2017
  2. het geheel van alle titels
    Bijna wilde ik u aanspreken als ‘kameraad’. Ik ben namelijk socialist. Maar we moeten willen aannemen dat die titulatuur een beetje in onbruik is geraakt. De tijdgeest laat dergelijke gebruiken niet meer toe, zeggen mensen mij. En al vind ik dat jammer, misschien hebben ze wel gelijk.de Standaard 9 JUNI 2017
    De VSNU is bereid om haar verzet te staken tegen het opheffen van de verschillen in titulatuur tussen universiteiten en hogescholen. „Als een hogeschool zich duidelijk profileert met onderzoek, dan mogen ze dezelfde diploma’s uitreiken als een universiteit. Voor hogescholen met een meer beroepsgericht profiel geldt dat dus niet.”NRC Bart Funnekotter 14 april 2010

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsforms of address