tjiftjaf

mannelijk (de)/ˈcɪfcɑf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) , een kleine zangvogel uit de Zangers ()
    Ik hoor een tjiftjaf in die boom daar.
    {{ouds

Etymologie

*De naam is een onomatopee: een (klanknabootsing) van de zang van de vogel.

Vertalingen

Engelschiffchaff
Franspouillot véloce
DuitsZilpzalp
Spaansmosquitero, mosquitero común
Italiaansluì piccolo
Portugeesfelosa-comum
Russischпеночка-теньковка
Japansチフチャフ
Poolspierwiosnek zwyczajny
Zweedsgransångare
Deensgransanger