toegenegenheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vriendelijke, goede, gunstige gezindheid
    Hij laat zijn schone nicht, Machteld van Bethune, van zijnentwege groeten, en zal binnen weinig stonden zijn vurige toegenegenheid haar zelf bewijzen.
    Gaat, ik ben voldaan over uw toegenegenheid en moed.

Etymologie

* afleiding van toegenegen