toekomst

vrouwelijk (de)/ˈtukɔmst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijd die komen gaat
    In de toekomst zullen robots al het werk gaan doen.
    Op mijn werk draaiden mijn gedachten constant om de toekomst, met veertien hersenspinsels tegelijk, eindeloos verschillende scenario’s analyserend.
    Er is een mogelijkheid dat alle boeren een toekomst hebben in Nederland. Sterker: er zijn dan mogelijk zelfs meer boeren nodig. Maar dat vraagt wel om een andere aanpak, waarbij eigenlijk het hele landbouwsysteem op de schop moet, stelt een groep van zo'n 2.500 biologische boeren. Ministers Henk Staghouwer (Landbouw) en Christianne van der Wal (Natuur en Stikstof) reageren enthousiast.

Etymologie

* van toekomen

Vertalingen

Engelsfuture
Fransavenir
DuitsZukunft
Spaansfuturo, porvenir
Portugeesfuturo
Russischбудущий
Poolsprzyszłość
Zweedsframtid
Deensfremtid