toer
mannelijk/vrouwelijk (de)/tur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rij, kolom
zelfstandig naamwoord
- (rond)reis, tour
- omwenteling
- rij steken naast elkaar
- moeilijk, zwaar werk
- (techniek) winding waarmee een snoer of kabel om iets heengeslagen wordt
- beurt → toerbeurt
- dansfiguur
- (evenhoevigen) een zoogdier uit de familie der holhoornigen (Bovidae)
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek