toeschouwer

mannelijk (de)/ˈtusxɑuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die naar iets kijkt
    De toeschouwers zagen hoe hij verdonk en belden direct 112.
    Het meest bewierookte team van de moderne tijd was na 79 minuten gedegradeerd tot een stelletje zeurende, struikelende toeschouwers in gele shirtjes", zo wordt Barcelona op de plek gezet. Tubantia 08-05-19 [https://www.tubantia.nl/sport/eenmansteam-barcelona-is-opgevreten-en-vernederd-tijdens-wonder-van-anfield~ae34a8d4/ ‘Eenmansteam Barcelona is opgevreten en vernederd tijdens Wonder van Anfield’]
  2. een bezoeker van een wedstrijd of een voorstelling
    In het stadion waren veel toeschouwers aanwezig.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van toe (bijwoord, dat gerichtheid aangeeft), de stam van schouwen (werkwoord: kijken) ; het werkwoord toeschouwen is pas later ontstaan

Vertalingen

Engelsspectator, viewer
Fransspectateur
DuitsZuschauer
Spaansespectador
Italiaansveditore
Portugeesespectodor
Zweedsvittne