toespreken

/ˈtusprekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. het woord tot een bepaald iemand of een bepaalde groep richten
    Hij sprak het bruidspaar toe op de bruiloft.
    De docent sprak de leerlingen vermanend toe over de slechte resultaten bij het laatste proefwerk.
    Ook sprak ik mezelf af en toe streng toe en schold mezelf uit als ik weer eens een inschattingsfout had gemaakt.

Vertalingen

Engelsaccost, address
Spaansarengar, dirigir la palabra a, dirigirse a