toestroom

mannelijk (de)/ˈtustrom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanzienlijke hoeveelheid mensen, dieren en/of andere zaken die naar eenzelfde plaats gaan
    De toestroom van toeschouwers was enorm.
    Toen het loket in maart voor de eerste keer openging, was het geld ook binnen enkele uren vergeven. Door de grote toestroom ontstonden toen zelfs IT-problemen.

Etymologie

* Samenstelling van toe (bijwoord dat gerichtheid aangeeft) en stroom (zelfstandig naamwoord)